Archief voor de categorie 'Sociology'

De netwerkpartij als kraakpand?

Vandaag is mijn stuk over het nieuwe partijmodel van de sp.a in SamPol verschenen. SamPol is een maandelijks tijdschrift dat een blik werpt op brede maatschappelijke fenomenen en zich inschrijft in de brede socialistische beweging, maar dan wel niet dogmatisch, noch partijafhankelijk. Hieronder vinden jullie de inleiding en het besluit van mijn artikel. Wens je het volledig te lezen, abonneer je dan op het tijdschrift (slechts 39 euro voor studenten per jaar) of passeer eens langs de bibliotheek.

De netwerkpartij als kraakpand?

Ongeveer een jaar geleden herdoopte de sp.a zichzelf tot een netwerkpartij. Het nieuwe partijmodel was het antwoord op zowel de verkiezingsnederlaag van 10 juni 2007 als de tanende invloed van de klassieke massapartij. Deze netwerkpartij doet echter sterk denken aan het sociologische concept ‘sociaal kapitaal’. Een sociologische analyse van de sterktes en zwaktes, de mogelijkheden en bedreigingen van de netwerkpartij als organisatiemodel dringt zich bijgevolg op.

De netwerkpartij: het versterken van extern en intern sociaal kapitaal

De netwerkpartij wordt door de partijtop samengevat als ‘een open huis met sterke fundamenten’. De netwerkpartij is enerzijds een open huis omdat ze iedereen die sociaal-progressieve verandering nastreeft, wil betrekken bij de partijwerking. Het gaat meerbepaald om het engagement binnen wijkclubs, buurtverenigingen en actiegroepen, en op het internet. De netwerkpartij is anderzijds een huis met sterke fundamenten omdat ze voor een sterke partijwerking wil gaan, gestoeld op gewaardeerd lidmaatschap, sterke afdelingen en interne democratie.
Het nieuwe partijmodel doet denken aan het sociologische concept ‘sociaal kapitaal’. Sociaal kapitaal heeft betrekking op de middelen die in sociale netwerken ingebed zijn en gebruikt kunnen worden om doelen na te streven. Deze middelen kunnen zeer divers zijn, gaande van informatie, macht en status tot vertrouwen en identiteit. Een partij kan die middelen gebruiken om haar doelen na te streven. Concreet kan een partij haar sociaal kapitaal inzetten om bijvoorbeeld stemmen te ronselen, frisse ideeën op te doen, leden te motiveren… Met het nieuwe partijmodel wil de sp.a nu haar sociaal kapitaal op twee manieren uitbreiden. Enerzijds richt ze zich op het uitbreiden van haar ‘extern sociaal kapitaal’, zijnde het sociale netwerk van sympathisanten buiten de partij (cfr. een open huis). Anderzijds wil ze ook haar ‘intern sociaal kapitaal’ versterken, zijnde het sociale netwerk van leden binnen de partij (cfr. een huis met sterke fundamenten).

De slagkracht van deze partijstrategie hangt in grote mate af van hoe sterk de sp.a de sterktes en mogelijkheden van het partijmodel benut en in welke mate ze rekening houdt met bepaalde zwaktes en bedreigingen. In wat volgt, wordt kort een sociologische analyse gemaakt van deze factoren van de netwerkpartij, toegepast op de Vlaamse socialistische partij.

Besluit

Met de netwerkpartij als organisatiemodel wil de sp.a een open huis met sterke fundamenten zijn. Momenteel is ze echter een kraakpand, veel openheid maar geen fundamenten. Enerzijds heeft de sp.a geen sterk intern netwerk. De verschillende sociale groepen binnen de partij komen nauwelijks in contact met elkaar en wisselen bijgevolg geen informatie of ideeën uit. Hoewel er zeker een aantal stappen in de goede richting gezet zijn, blijft de interne democratie ook dode letter. Op cruciale momenten slaagt de partijtop er maar niet in de basis te vertrouwen. Dan is het ook niet verwonderlijk dat haar mobilisatiekracht beperkt is. Anderzijds heeft de sp.a een grote openheid voor personen en organisaties van buiten de partij. Die openheid is echter niet altijd wederkerig. Het externe netwerk wordt bovendien gekenmerkt door een lage motivatie en sociale uniformiteit. Als klap op de vuurpijl ging het externe netwerk in het verleden ten koste van het interne netwerk.

Vanuit een sociologische bril kunnen er echter een aantal suggesties voor verbetering geformuleerd worden. Breng ten eerste een sterk ideologisch verhaal. Het bindt de leden en verschaft duidelijkheid aan de sympathisanten buiten de partij. Geef ten tweede de leden inspraak in dit ideologische verhaal. Het is niet enkel democratisch, maar verhoogt ook de mobilisatiekracht. Wees consequent en voorzie ten derde ideologische ruimte voor de netwerksamenleving. Ook de kleine man heeft immers recht op een sociaal netwerk. Investeer ten vierde in sterke lokale afdelingen die zowel via oude als nieuwe participatievormen de verschillende sociale groepen binnen de partij met elkaar in contact brengen. Sta ten slotte open voor sympathiserende personen en organisaties van buiten de partij, maar overschat hun motivatie niet en probeer ze ook niet steeds in te lijven. Er is met andere woorden nog veel werk aan de winkel. De vraag is of de partijtop de moed heeft om dit werk te verzetten?

Blog uitgesteld wegens vakgroepfeestje

Ik heb vanavond een vakgroepfeestje gehad, vandaar geen blog voor deze dag. Tot morgen.

Demographic determinants of voting behavior

Ik heb tijdens mijn studententijd als socioloog de eer gehad een college te mogen volgen van Emer. Prof. Ron Lesthaeghe. Prof. Lesthaeghe is als socioloog doorgebroken met zijn baanbrekende theorie over de ‘Second Demographic Transition’ (SDT). De Tweede Demografische Transitie wordt gekenmerkt door een stijgende huwelijksleeftijd, een toenemend voorkomen van ongehuwd samenwonen, een dalend voorkomen van hertrouwen, het uitstellen van kinderen, en toenemende kinderloosheid. Interessant is dat deze demografische patronen nauw samenhangen met religieuze en politieke dimensies.

Een illustratie hiervan zijn de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2004. Hieronder vindt men op staatsniveau een zeer sterke, negatieve correlatie (r=-0,87) tussen het stemmen voor Bush in 2004 en een factor samengesteld uit bovenstaande demografische kenmerken: hoe sterker een staat scoort op deze SDT-factor, hoe lager het percentage van die staat die in 2004 voor Bush gestemd heeft.

Bron: Lesthaeghe, R. and Neidert, L. (2006). The second demographic transition in the United States: exception or textbook example? Population and Development Review, 32 (4), p. 686.

Interessant is nu om na te gaan in welke mate Obama van dit demografisch gegeven kan profiteren en in hoeverre de peilingen deze demografische patronen reflecteren.

Van de drie zekere swing states (zie mijn blog van eergisteren), zijnde Iowa, Colorado en New Mexico, is het opmerkelijk dat Iowa op de SDT-factor zeer laag scoort: hier breekt Obama duidelijk door een demografisch patroon. Van de vier minder zekere swing states (Virginia, Florida, Ohio en Nevada) worden vooral Florida en Nevada demografisch ondersteund, Virginia is relatief neutraal. Ohio is dan weer demografisch conservatief.

De republikeinse bolwerken die Obama lijkt binnen te halen (North Carolina, Montana, Minnesota, North Dakota, Arizona, en Missouri) zijn demografisch zeer divers. North Carolina en Arizona lijken demografisch gezien goed mee te vallen. Missouri, Minnesota, North Dakota en Montana daarentegen zullen harde noten om te kraken zijn.

Een Bradley effect?

Op mijn post van gisterenavond heb ik reeds een aantal reacties van ongeloof gekregen. De meeste reacties laten zich samenvatten in twee argumenten: 1. Je beroept je volledig op peilingen, maar wat zijn deze waard? Onder andere blue collar-voters worden daarin onderbevraagd. 2. Nog veel Amerikanen zien een zwarte president niet zitten, maar durven daar openlijk niet voor uit te komen uit angst om als een racist versleten te worden.

De combinatie van deze twee argumenten wordt ook wel het zogenaamde Bradley effect genoemd. Het Bradley effect verwijst naar het systematisch overschatten van een zwarte kandidaat in peilingen. Respondenten vertellen immers dat ze nog onbeslist zijn of geneigd zijn om op de zwarte kandidaat te stemmen, terwijl ze in het stemhokje zelf voor de blanke tegenkandidaat stemmen. De reden is sociale wenselijkheid: men durft immers niet toe te geven dat men niet op de zwarte kandidaat wil stemmen omwille van zijn huidskleur.

Het Bradley-effect is genoemd naar Tom Bradley, een Afro-Amerikaan die in 1982 de gouverneursverkiezingen in California verloor, terwijl hij in de peilingen systematisch voorlag.

Vraag van de dag is bijgevolg:

Wordt Obama systematisch in peilingen overschat? Is er met andere woorden sprake van een Bradley effect?

1. Wat zijn de peilingen waard?

Peilingen kunnen zeer sterk variëren in hun manier van steekproeftrekking, hun steekproefgrootte, hun manier van afname, hun wegingsfactoren… Peilingen kunnen met andere woorden zeer sterk verschillen in hun representativiteit. Het is hoogstwaarschijnlijk waar dat een aantal sociale categorieën in peilingen systematisch onderbevraagd worden. Zo worden blue collar-voters inderdaad doorgaans onderbevraagd, en deze groep vertoont inderdaad een grotere kans op xenofobie. Maar ook jongeren en Afro-amerikanen worden in peilingen doorgaans onderbevraagd en deze zijn dan weer meer geneigd om op Obama te stemmen.

Een ander argument is dat we ons niet beroepen op slechts één peiling, maar op dagelijks minstens 10 peilingen van zeer diverse makelij, en dat al deze peilingen consequent Obama een voorsprong geven in cruciale staten. Voor een overzicht van de peilingen, zie hier, hier en hier.

2. The Bradley-case

Er zijn ook twee grote verschillen tussen de Bradley-case van 1982 en de huidige situatie van Obama:

Een eerste verschil is dat de voorsprong van Bradley in de peilingen veel nipter was dan voor Obama momenteel: respectievelijk 1 à 5% tegenover 5 à 15%.

Een tweede verschil is dat de mensen de standpunten en de persoonlijkheid van Bradley niet zo goed kenden. Het waren ’slechts’ gouverneursverkiezingen, de campagnes waren nog niet zo uitgebouwd en de media versloeg het gebeuren niet zo intensief als nu. Ze hadden met andere woorden weinig argumenten buiten Bradleys huidskleur om niet op hem stemmen. Vandaar dat ze uit sociale wenselijkheid in peilingen aangaven dat ze nog onbeslist of zelfs pro Bradley waren. Bij Obama is van dit alles geen sprake. Er is lange tijd een ware Obamania geweest, dus de mensen zouden intussen zijn persoonlijkheid en standpunten wel moeten kennen. Respondenten die met andere woorden een probleem hebben met de huidskleur van Obama kunnen bijgevolg gerust aan pollsters zeggen dat ze niet op Obama gaan stemmen omdat hij “te liberal” of “te soft” is.

3. The democratic primaries

Er wordt vaak naar een Bradley effect gewezen bij de democratische primary in New Hampshire. Daar verloor Obama met drie procentpunten van Hillary Clinton, terwijl hij in de peilingen systematisch voorlag. Het is niet onmogelijk dat er op dat moment van de campagne nog ruimte was voor een Bradley effect. Interessant is echter dat er in de zuidelijke staten met een grote zwarte minderheid zoals North Carolina en Virginia sprake is van een omgekeerd Bradley effect: Obama werd er in de peilingen consequent onderschat. Veel Afro-amerikanen stemden er immers voor Obama omwille van zijn zwarte huidskleur, maar durfden dat uit sociale wenselijkheid niet te verklaren aan de pollsters.

Samengevat denk ik dat er momenteel veel over het Bradley effect geschreven wordt, maar dat het in de praktijk al bij al nog zal meevallen.

Sociology class 2008

Ik ben vorige week plechtig geproclameerd als socioloog. Hieronder volgen een aantal sfeerfoto’tjes:

Nog nen nieuwe blog

“De wereld staat echt niet te wachten op nog nen nieuwe blog”, antwoordde Ief – een oude schoolvriend – toen ik hem een aantal maanden geleden over mijn plannen vertelde om met een blog te beginnen. En Ief kan het weten, want hij is niet alleen ne crème van nen kerel, maar ook nog eens de gitaarvirtuoos van dé legendarische Tubs… Waarom dan nog nen blog beginnen? Mijn beweegredenen zijn eigenlijk tweevoudig.

Allereerst schrijf ik gewoon graag (zonder daarmee te pretenderen dat ik het ook goed kan). Reeds in het begin van het middelbaar vulde ik mijn dagboek met mijn diepste zielsroerselen en overpeinzingen. Later in de humaniora wisselde ik mijn dagboek in voor N-FO, het schoolkrantje, waarvan er onder mijn hoofdredacteurschap één editie volledig gecensureerd werd wegens te gezagsondermijnend… Eénmaal aan den Unief leende ik mijn pen eerst aan Het Rode Boekje en later zijn opvolger Avanti. Nu ik definitief de schoolbanken verlaat, heb ik bijgevolg nood aan een nieuw kanaal. En aangezien het schrijven van brieven nogal passé, deel ik vanaf nu mijn overpeinzingen via deze blog.

De tweede reden is dat ik geloof in de kracht van het geschreven woord (zonder terug te pretenderen dat mijn woorden krachtig zijn). Schrijven leidt bij zowel de auteur als de lezer tot afstand. Men kan het hier en nu overstijgen. Deze afstand heeft een reflexiever bewustzijn en een scherper analytisch vermogen tot gevolg: woorden worden meer gewikt en gewogen, argumenten worden meer doordacht, inconsistenties worden geschrapt… Via het schrift kan men met andere woorden beter een overtuiging met al zijn nuances formuleren en verlopen discussies doorgaans rationeler. Discussies op hun beurt zijn in feite sociale handelingen: men houdt bij discussies rekening met wat de andere denkt, voelt of doet. Sociale handelingen kunnen zowel doelrationeel ofte instrumenteel zijn (gericht op de realisatie van een doel) als waarderationeel ofte reflexief zijn (gericht op het nastreven van bepaalde waarden of overtuigingen). De instrumentaliteit en de reflexiviteit zouden idealitair in een samenleving in evenwicht moeten zijn. Helaas is dat in de huidige laatkapitalistische maatschappij niet steeds het geval. Laat nu net het geschreven woord zich omwille van zijn afstandsimplicaties zeer goed lenen tot discussies over beide rationaliteitsvormen. Met deze blog hoop ik dan ook o.a. hierover discussie uit te lokken. Vandaar het onderschrift van deze blog met een subtiele knipoog naar Jürgen Habermas…