Archief voor oktober 2008

Demographic determinants of voting behavior

Ik heb tijdens mijn studententijd als socioloog de eer gehad een college te mogen volgen van Emer. Prof. Ron Lesthaeghe. Prof. Lesthaeghe is als socioloog doorgebroken met zijn baanbrekende theorie over de ‘Second Demographic Transition’ (SDT). De Tweede Demografische Transitie wordt gekenmerkt door een stijgende huwelijksleeftijd, een toenemend voorkomen van ongehuwd samenwonen, een dalend voorkomen van hertrouwen, het uitstellen van kinderen, en toenemende kinderloosheid. Interessant is dat deze demografische patronen nauw samenhangen met religieuze en politieke dimensies.

Een illustratie hiervan zijn de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 2004. Hieronder vindt men op staatsniveau een zeer sterke, negatieve correlatie (r=-0,87) tussen het stemmen voor Bush in 2004 en een factor samengesteld uit bovenstaande demografische kenmerken: hoe sterker een staat scoort op deze SDT-factor, hoe lager het percentage van die staat die in 2004 voor Bush gestemd heeft.

Bron: Lesthaeghe, R. and Neidert, L. (2006). The second demographic transition in the United States: exception or textbook example? Population and Development Review, 32 (4), p. 686.

Interessant is nu om na te gaan in welke mate Obama van dit demografisch gegeven kan profiteren en in hoeverre de peilingen deze demografische patronen reflecteren.

Van de drie zekere swing states (zie mijn blog van eergisteren), zijnde Iowa, Colorado en New Mexico, is het opmerkelijk dat Iowa op de SDT-factor zeer laag scoort: hier breekt Obama duidelijk door een demografisch patroon. Van de vier minder zekere swing states (Virginia, Florida, Ohio en Nevada) worden vooral Florida en Nevada demografisch ondersteund, Virginia is relatief neutraal. Ohio is dan weer demografisch conservatief.

De republikeinse bolwerken die Obama lijkt binnen te halen (North Carolina, Montana, Minnesota, North Dakota, Arizona, en Missouri) zijn demografisch zeer divers. North Carolina en Arizona lijken demografisch gezien goed mee te vallen. Missouri, Minnesota, North Dakota en Montana daarentegen zullen harde noten om te kraken zijn.

Een Bradley effect?

Op mijn post van gisterenavond heb ik reeds een aantal reacties van ongeloof gekregen. De meeste reacties laten zich samenvatten in twee argumenten: 1. Je beroept je volledig op peilingen, maar wat zijn deze waard? Onder andere blue collar-voters worden daarin onderbevraagd. 2. Nog veel Amerikanen zien een zwarte president niet zitten, maar durven daar openlijk niet voor uit te komen uit angst om als een racist versleten te worden.

De combinatie van deze twee argumenten wordt ook wel het zogenaamde Bradley effect genoemd. Het Bradley effect verwijst naar het systematisch overschatten van een zwarte kandidaat in peilingen. Respondenten vertellen immers dat ze nog onbeslist zijn of geneigd zijn om op de zwarte kandidaat te stemmen, terwijl ze in het stemhokje zelf voor de blanke tegenkandidaat stemmen. De reden is sociale wenselijkheid: men durft immers niet toe te geven dat men niet op de zwarte kandidaat wil stemmen omwille van zijn huidskleur.

Het Bradley-effect is genoemd naar Tom Bradley, een Afro-Amerikaan die in 1982 de gouverneursverkiezingen in California verloor, terwijl hij in de peilingen systematisch voorlag.

Vraag van de dag is bijgevolg:

Wordt Obama systematisch in peilingen overschat? Is er met andere woorden sprake van een Bradley effect?

1. Wat zijn de peilingen waard?

Peilingen kunnen zeer sterk variëren in hun manier van steekproeftrekking, hun steekproefgrootte, hun manier van afname, hun wegingsfactoren… Peilingen kunnen met andere woorden zeer sterk verschillen in hun representativiteit. Het is hoogstwaarschijnlijk waar dat een aantal sociale categorieën in peilingen systematisch onderbevraagd worden. Zo worden blue collar-voters inderdaad doorgaans onderbevraagd, en deze groep vertoont inderdaad een grotere kans op xenofobie. Maar ook jongeren en Afro-amerikanen worden in peilingen doorgaans onderbevraagd en deze zijn dan weer meer geneigd om op Obama te stemmen.

Een ander argument is dat we ons niet beroepen op slechts één peiling, maar op dagelijks minstens 10 peilingen van zeer diverse makelij, en dat al deze peilingen consequent Obama een voorsprong geven in cruciale staten. Voor een overzicht van de peilingen, zie hier, hier en hier.

2. The Bradley-case

Er zijn ook twee grote verschillen tussen de Bradley-case van 1982 en de huidige situatie van Obama:

Een eerste verschil is dat de voorsprong van Bradley in de peilingen veel nipter was dan voor Obama momenteel: respectievelijk 1 à 5% tegenover 5 à 15%.

Een tweede verschil is dat de mensen de standpunten en de persoonlijkheid van Bradley niet zo goed kenden. Het waren ’slechts’ gouverneursverkiezingen, de campagnes waren nog niet zo uitgebouwd en de media versloeg het gebeuren niet zo intensief als nu. Ze hadden met andere woorden weinig argumenten buiten Bradleys huidskleur om niet op hem stemmen. Vandaar dat ze uit sociale wenselijkheid in peilingen aangaven dat ze nog onbeslist of zelfs pro Bradley waren. Bij Obama is van dit alles geen sprake. Er is lange tijd een ware Obamania geweest, dus de mensen zouden intussen zijn persoonlijkheid en standpunten wel moeten kennen. Respondenten die met andere woorden een probleem hebben met de huidskleur van Obama kunnen bijgevolg gerust aan pollsters zeggen dat ze niet op Obama gaan stemmen omdat hij “te liberal” of “te soft” is.

3. The democratic primaries

Er wordt vaak naar een Bradley effect gewezen bij de democratische primary in New Hampshire. Daar verloor Obama met drie procentpunten van Hillary Clinton, terwijl hij in de peilingen systematisch voorlag. Het is niet onmogelijk dat er op dat moment van de campagne nog ruimte was voor een Bradley effect. Interessant is echter dat er in de zuidelijke staten met een grote zwarte minderheid zoals North Carolina en Virginia sprake is van een omgekeerd Bradley effect: Obama werd er in de peilingen consequent onderschat. Veel Afro-amerikanen stemden er immers voor Obama omwille van zijn zwarte huidskleur, maar durfden dat uit sociale wenselijkheid niet te verklaren aan de pollsters.

Samengevat denk ik dat er momenteel veel over het Bradley effect geschreven wordt, maar dat het in de praktijk al bij al nog zal meevallen.

Obama by landslide?

Nog precies 7 dagen scheidt ons van de moeder van de Amerikaanse presidentsverkiezingen op dinsdag 4 november. Ik ga de verkiezingen alvast vieren op de ‘We survived Bush’-party in het Kultuurcafé van de VUB de dinsdagavond en de eerste resultaten gaan checken op de verkiezingsbrunch van de sp.a in het Barnabé-café de woensdagochtend. In afwachting van deze feestjes ben ik van plan om iedere avond een thema omtrent de presidentsverkiezingen op deze blog te behandelen.

Vandaag buig ik het hoofd over volgende vraag:

Wat is de kans dat Obama de verkiezingen zal winnen ‘by landslide’?

Dat Obama de verkiezingen gaat winnen is voor mij immers al zo goed als zeker. De vraag is dus niet of hij gaat winnen, maar met welke marge hij zal winnen.

Ter herhaling. Het kiescollege bestaat uit 538 kiesmannen. Om de verkiezingen te winnen dient Obama dus 269+1 kiesmannen binnen te halen. Om de verkiezingen by landslide te winnen, dienen echter 375 kiesmannen zich achter Obama te scharen en dient hij ook nog de popular vote te winnen. Is dit haalbaar?

Als we de peilingen mogen geloven zal de popular vote geen probleem vormen: zie hier, hier en hier. Maar wat met die 375 kiesmannen, de zogenaamde electoral vote?

De Kerry-states (de staten waar John Kerry in 2004 gewonnen heeft) omvatten 251 kiesmannen. Van die staten waren New Hampshire (4 kiesmannen), Michigan (17 kiesmannen) en Pennsylvania (21 kiesmannen)lange tijd onzeker, maar sinds een drietal weken (eigenlijk sinds het ‘uitbreken’ van de economische crisis) heeft Obama er volgens de meeste peilingen een ruime marge. In NH heeft hij een marge die varieert tussen 4% en 15%, in MI een marge tussen 3% en 22%, en in PA een marge tussen 7% en 13%. De McCain-campagne lijkt de laatste dagen echter wel veel middelen in Pennsylvania in te zetten.

New Mexico (5) en Iowa (7) en zelfs Colorado (9) behoren ook al lange tijd tot veilig terein voor Obama. Zij zijn samen goed voor terug 21 kiesmannen.

De tussenstand staat ondertussen op 272 kiesmannen, waarmee Obama de verkiezingen wint! Nog 103 kiesmannen te gaan om een landslide te bereiken.

De andere kanshebbers laten zich opdelen in twee soorten staten.

1. Staten die bij de vorige verkiezingen naar Bush gingen, lange tijd als swing states beschouwd werden, maar waarvan het op basis van de meeste peilingen aannemelijk is dat ze naar Obama gaan. Het betreft de staten Nevada (5), Virginia (13), Florida (27) en Ohio (20). Samen zijn ze goed voor 65 kiesmannen. De kans is dus reëel dat Obama deze staten binnenhaalt.

2. Echte traditionele republikeinse bolwerken waarvan niemand ooit dacht dat de democraten ze nog zouden kunnen winnen, maar die in de meest recente peilingen naar een ‘tie’ neigen. Hier denken we aan North Carolina (15), Montana (3), Minnesota (10), North Dakota (3), Missouri (11) en zelfs het Arizona van McCain (10). Deze staten zorgen samen voor 52 kiesmannen. De kans is onwaarschijnlijk dat Obama al deze staten binnenhaalt.

De teller staat ondertussen op 389 kiesmannen, zijnde een landslide. De kans is echter zeer klein dat hij alle bovenvermelde traditionele republikeinse bolwerken binnenhaalt, maar je weet natuurlijk nooit… :-)

Working life

Zoals jullie merken is het werkleven niet bepaald gunstig voor het schrijven van een blog…