Archief voor augustus 2008

Het sociaal contract van Barack Obama

Een goed opiniestuk van Rik Coolsaet deze morgen in De Standaard:

Het sociaal contract van Barack Obama

AANVAARDINGSSPEECH GERICHT TOT DE WEIFELENDE AMERIKAAN

Het is gemakkelijk om te begrijpen waarom een deel van de Amerikaanse bevolking zo enthousiast op Obama reageert. Wat hij lijkt aan te bieden, is niet minder dan een nieuw sociaal contract zoals Franklin D. Roosevelt, zegt Rik Coolsaet die naar de aanvaardingstoespraak luisterde.

Drie kwartier duurde vannacht Barack Obama’s aanvaardingsspeech als Democratisch presidentskandidaat, in een overvol voetbalstadion in Denver. En ik kon het echt niet helpen. Drie kwartier spookte de vraag door mijn hoofd: waar zit de Belgische Obama? Welke Belgische politicus doet Obama na in zijn magistrale poging om de verdeeldheid in eigen land te overbruggen? Bij ons is het net omgekeerd: hier verscherpen politici, zowel in Vlaanderen als in Wallonië, de tegenstellingen onder de mensen en zetten zij Vlamingen en Franstaligen tegen elkaar op. Waar zit de Belgische Obama die met evenveel menselijkheid over de illegale migrant durft te praten? Bij ons daarentegen hoor je een Vlaams politicus op een gemene manier Franstaligen in Vlaanderen gelijkschakelen met migranten, die zich moeten aanpassen – of opkrassen. Ik zoek nog steeds de eerste politicus in Vlaanderen die met evenveel overtuiging als Obama diversiteit een kracht noemt en geen ziekte – getuige zijn eigen levensloop. En het wachten is voorlopig ook nog op de eerste politicus in dit land die een coherent project aanbiedt dat insluit en niet uitsluit.

Obama’s speech was politiek theater van Hollywoodiaanse topkwaliteit. Het is gemakkelijk om smalend te doen over zoveel indrukwekkende enscenering, over de Dorische zuilen in papier maché die de presidentskandidaat moesten omhullen met de symbolen van macht en prestige, de zorgvuldig uitgekiende retorische opbouw en het oerklassieke ‘God bless you‘ op het einde van de toespraak. Het is ook niet moeilijk om de scheut populisme te hekelen die in zijn toespraak zit ingebed, waar hij zich afzet tegen de professionele politici en de bureaucraten in het verre Washington of waar hij langs zijn neus weg zegt dat hij elke avond met Amtrak – de amechtige Amerikaanse spoorwegmaatschappij – huiswaarts keert.

Maar tezelfdertijd verwoordde Obama zijn kernboodschap duidelijker en concreter dan ooit tevoren. En de hoofdrol hierin was weggelegd voor de dagelijkse moeilijkheden en bezorgdheid van de individuele Amerikaan, niet om wat de politici in de hoofdstad bezig houdt.

Het is gemakkelijk om te begrijpen waarom een deel van de Amerikaanse bevolking zo enthousiast op Obama reageert. Wat hij lijkt aan te bieden, is niet minder dan een nieuw sociaal contract. Franklin D. Roosevelt deed het hem voor in de jaren dertig van de 20ste eeuw. Dat kan geen toeval genoemd worden. Opiniepeiling na opiniepeiling bevestigt het beeld dat het Amerika van vandaag in vele opzichten aan dezelfde kwalen lijdt als ten tijde van Roosevelt. Het land leeft in angst. Tachtig procent van de Amerikanen vindt dat hun land de verkeerde richting uitgaat en uit een recente peiling blijkt dat de Amerikaanse bevolking zowat de meeste pessimistische van de hele wereld is. Politieke crises in de wereld staven hem in die overtuiging. In eigen land vreet de economische teruggang aan het inkomen van de gemiddelde Amerikaan. En de regering lijkt daar allemaal geen antwoord op te kunnen bieden.

Net zoals Roosevelt wil Obama de zwaksten in de Amerikaanse samenleving beschermen en tezelfdertijd de toenemende ongerustheid onder de middenklassers opvangen. In de beste Democratische traditie bevestigt Obama daarbij dat hij de staat aan de zijde ziet van de zwaksten in de samenleving – en niet als de behoeder van ’s lands welvarenden. De staat is er om de individuele burger te beschermen tegen risico’s en problemen waartegen hij zich niet op eigen kracht kan indekken – tenzij hij of zij behoort tot de toplaag van welgestelden.

Maar Obama’s project is niet louter defensief. Opnieuw zoals Roosevelt (we have to fear but fear itself - wij moeten enkel onze eigen angst vrezen) wil hij blijkbaar de angst onder de Amerikanen overstijgen doorheen wat hij een ‘nieuwe gemeenschappelijke doelstelling’ noemt. Angst voedt immers het gevoel van machteloosheid en dempt daardoor de kansen op een verbetering van een samenleving. Angst drijft mensen in een egelstelling, verscherpt tegenstellingen en sluit uit. Angst verengt de geest. Om vooruit te gaan heeft een gemeenschap een collectief verhaal nodig, dat insluit en niet uitsluit. Mensen moeten vertrouwen in de toekomst hebben. Een beleid gebouwd op angst, verhindert dat. We verdienen beter dan wat we de afgelopen acht jaar gehad hebben, zo zei hij, want we zijn een beter land dan dat.

Barack Obama wil het elementaire gemeenschapsgevoel herstellen. ‘Je stapt niet alleen’, klonk het in een van de memorabele passages in zijn toespraak, waarmee hij Martin Luther Kings woorden van 45 jaar geleden herhaalde. Maar zoiets ligt niet in de macht van de overheid – of althans, niet uitsluitend. Obama plaatste de burger uitdrukkelijk ook voor zijn individuele verantwoordelijkheid inzake opvoeding, milieu, criminaliteit. Maar dat lukt alleen maar als die burger zich betrokken voelt in een gemeenschappelijk project dat perspectief inhoudt.

Obama’s toespraak vannacht was duidelijk gericht tot de weifelende Amerikaan, voor wie hij ondanks de twintig maanden lange voorverkiezingen nog steeds een mysterie is gebleven, en die sceptisch aankijkt tegen diens boodschap. Met enige zelfrelativering omschreef hij zichzelf gisteren trouwens als ‘niet de meest evidente kandidaat’ voor het ambt van president. Wat Obama’s Amerika daarentegen met de wereld zal aanvangen, komen we niet te weten. Hoe hij zal reageren op de onvermijdelijke verdere daling van de internationale invloed van de Verenigde Staten, kunnen we niet opmaken uit zijn woorden. En dat is wellicht het grootste probleem waarop de nieuwe president in Washington een antwoord zal moeten vinden. Een grote mogendheid die macht en invloed verliest, zo leert ons de geschiedenis, kan dat tijdelijk verhullen door dadendrang – of opvangen door een beleid van internationale samenwerking.

Maar daarover horen we vanaf maandag wellicht meer. Dan houden de Republikeinen op hun beurt hun conventie en begint de echte verkiezingsstrijd.

Rik Coolsaet is voorzitter van de Vakgroep Politieke Wetenschappen Universiteit Gent

Westvleteren, I was there…

Onlangs achter mijn twee gereserveerde bakken Westvleteren 8 geweest. Hieronder volgen een aantal sfeerfoto’s. En wat het bier betreft: het is inderdaad zo goed als men beweert! :-)

Le plat pay

Le plat pays

Ora et labora

Ora et labora

Obelrisk

Vorige week ben ik op een winderige dag naar de 28ste editie van de poëziezomer van Watou getrokken. Het was denk ik mijn vierde editie dat ik bezocht en meteen ook de minst goede. Niet alleen was de kunstcollectie veel minder uitgebreid dan vorige jaren (omwille van financiële redenen, aldus kwatongen), de gedichten zelf waren ook moeilijk leesbaar, zowel letterlijk als figuurlijk.

Een beeld van ‘Obelrisk’ van Thomas Lerooy (1981) was echter een aangenaam lichtpuntje. Het beeld is een opeenstapeling van hoofden van filosofen zoals Socrates en Voltaire. Ze lijken elkaar af te luisteren. Wetenschap is dan ook voortbouwen op de ideeën van anderen: dwarfs standing on the shoulders of giants.

Obelrisk (Lerooy, 1981)

Obelrisk (Lerooy, 1981)

Men kan het echter ook politiek interpreteren. Zelf geloof ik zeer sterk in het multiplicatoreffect in de politiek. Je overtuigt vijf personen van jouw politieke overtuigingen. Zij overtuigen elk op hun beurt terug vijf personen. Enzovoort…

In de schaduw van De Ridder

Niet zo lang geleden heb ik eindelijk nog eens de tijd gevonden om twee politieke boeken te lezen: ‘De zestien is voor u’ van Bart Brinckman et al. (2008) en ‘Sire, geef me honderd dagen’ van Hugo De Ridder (1989). De boeken zijn om verschillende redenen interessant om tegelijkertijd te lezen en zo met elkaar te vergelijken. Ten eerste verslaan ze de twee langste formatiepogingen in de naoorlogse Belgische geschiedenis, tijden waarin vaak gevreesd werd voor het verderbestaan van het land. ‘De zestien is voor u’ vertelt het verhaal van het hobbelige parcours van Verhofstadt II over de interim-regering Verhofstandt III naar de regering Leterme I (juni 2007 – maart 2008). ‘Sire, geef me honderd dagen’ analyseert dan weer de problematische vorming van de rooms-rode regering Martens VIII (oktober 1987 – mei 1988). Ten tweede zijn ze beiden door De Standaard-journalisten geschreven wat uiteraard voor een bepaalde invalshoek zorgt… Hoewel Hugo De Ridder na publicatie van ‘Sire geef me honderd dagen’ definitief de deuren van de krantenredactie achter zich dichtsloeg. Ten derde ambiëren ze beiden verder te gaan dan de dagdagelijkse berichtgeving in de kranten en de gebeurtenissen vanop een afstandje te analyseren. Tot zover de overeenkomsten.

Ik zal wat mijn oordeel betreft, maar meteen met de deur in huis vallen: ‘Sire, geef me honderd dagen’ is zoals we van Hugo De Ridder gewend zijn een politiek-analytisch pareltjes om te lezen, terwijl ‘De zestien is voor u’ een samenraapsel is van de dagdagelijkse politieke verslaggeving overgoten met een sausje van leuke, maar weinig relevante anekdotes (zie later). Het begint reeds bij de aanpak van het boek. De Ridder kiest bewust voor een thematische invalshoek, waarin hij de gebeurtenissen steeds door de ogen van een politieke hoofdrolspeler analyseert. Dit geeft hem de kans om de achterliggende politieke en psychologische beweegredenen bloot te leggen. Brinckman daarentegen kiest voor een chronologische aanpak die meer aanleunt bij de dagdagelijkse politieke berichtgeving. Een aanpak die het boek na een aantal hoofdstukken ook saaier maakt om te lezen. Verder gaat De Ridder op een bijna wetenschappelijke manier te werk. Hij stelt onderzoeksvragen zoals ‘In welke mate is de PVV de dupe geweest van hun kopman Verhofstadt?’ (p. 42). Hij formuleert en toetst hypotheses over de aanvaarding door Martens van het premierschap (p.228-238). Hij analyseert het zogenaamde fabrieksgeheim van Jean-Luc Dehaene (p.183-199), een echte must bovendien om te lezen. Brinckman op zijn beurt analyseert niets, rien, nade, noppes. Hij komt niet verder dan een reconstructie van de dagdagelijkse gebeurtenissen en voegt niets toe dat het boek de waan van de dag doet overstijgen. Het dient wel gezegd te worden dat de anekdotes bij wijlen erg amusant en op psychologisch vlak ook wel eens verhelderend zijn, vandaar ook hieronder een aantal voorbeeldjes:

Pieter De Crem wanneer hij Defensie aangeboden wordt: “Hiermee kan ik mij niet duidelijk plaatsen in het politieke landschap. Voor mijn politieke positionering is dit geen goed departement.”

Ik kan me voorstellen dat er heel wat mensen dit ook geen geschikt departement voor hem vinden.

Het liberale trio wil wat drinken betreft niet voor elkaar onderdoen. Nadat De Gucht een dienaar van de Kamer heeft uitgekafferd, slaat de paniek bij het Kamerpersoneel toe. Met een meetlat bepaalt het personeel de exacte inhoud van elk glas whisky dat ze tot bij de liberale onderhandelaars brengen, kwestie van niemand te discrimineren. Hierbij aansluitend zegt Yves Leterme over de alcoholspiegel van de Vlaamse liberalen: “Die drinken echt te veel. Zeker bij de Dewael zie je het onmiddellijk aan de ogen en de wangen. De Gucht steekt het beter weg.”

Een nieuwe Daerden in wording?

Bart De Wever die in volle BHV-crisis de bocht naar een ‘Ja’ neemt, pas nadat de franstaligen reeds een compromis afgeschoten hadden. “Het is belangrijker om te kijken wat niet in de tekst staat, dan wat er wel in zit. En let op, het gaat nu alleen om zaken die met een gewone meerderheid geregeld kunnen worden. Dat beperkt de mogelijke zoenoffers aanzienlijk”.

Een zoveelste illustratie dat de N-VA eerder met electorale tactiek bezig is dan met beleid te voeren?

My political compass

Volgens The Political Compass ben ik een linki winki: economic left/right -9,62 en social libertarian/authoritarian -6,92. Hiermee kom ik verdacht dicht bij de score van animo-kameraad Sander. Ideologische kruisbestuiving? :-)

Appartementje: check

Na lang zoeken heb ik eindelijk een betaalbaar appartementje gevonden in Gent. Place to be is vanaf 1 september Kraaistraat 26. Dat is een klein, rustig straatje evenwijdig met de Ledeganck. De locatie is echt ideaal: op een boogscheut van het station, op een steenworp van een parkje, op vijf minuutjes fietsen van het centrum en op 5 minuutjes wandelen van het Strop. Het straatje is zelf een zijstraat van de Zwijnaardsesteenweg. Met zijn twee krantenwinkels, drie nachtwinkels, drie pittazaken, vier frietkoten, een Afrikaans en een Spaans restaurantje, twee pizzeria’s, drie bakkerijen en twee supermarkten een comfortabele straat. Het appartementje zelf is ook super gezellig (foto’s volgen later). Een uitnodiging voor een housewarming party volgt zeker in september…

Wat me tijdens het zoeken enorm opviel – buiten dat half Gent op zoek is naar een appartement – is het grote prijsverschil tussen de appartementen die je via Immoweb en dergelijke vindt en de appartementen die je gewoon al fietsend door de stad vindt. We spreken hier snel van een prijsverschil van 100 euro (!) per maand. De vraag is of dat verschil te wijten is aan een selectie-effect (het zijn vooral de overprijsde appartementen die via Immoweb verhuurd worden of anders gesteld de goedkopere appartementen hebben Immoweb niet nodig om verhuurd te geraken), aan een winsteffect (Immoweb doet het uiteraard niet voor niets en dat wordt verrekend in de huurprijs), of aan een combinatie van beide? En in het geval van een winsteffect, zou de stad dan niet een website kunnen beheren waarop alle Gentse appartementen aangeboden worden à la Kot@Gent?

Westvleteren, here I come…

Hallelujah, mijn gebeden zijn verhoord! Na drie ochtenden met twee telefoons bellen, heb ik eindelijk een reservatie weten te bemachtigen voor twee bakken van de wereldvermaarde trappist Westvleteren 8. Sinds het prestigieuze ratebeer.com de Westvleteren 12 in 2005 tot het beste bier ter wereld uitriep, is het bier van Westvleteren zeer moeilijk te verkrijgen en kan het enkel na reservatie door particulieren in de abdij zelf gekocht worden, wat natuurlijk de charme en het genieten van het bier achteraf verhoogt…

De Westvleteren 8 is een bruine trappist. Het internet leert me dat het gekenmerkt wordt door complexe aroma’s van fruit, waaronder citrus en kruiden. In de mond is het bier erg zacht en vol van textuur, met een fantastische diepte en complexiteit, een diepe, rokerige moutigheid en smaken van chocolade en kruiden. De afdronk is vrij peperig met een geweldig warm gevoel. Hij is schitterend bij zachte kazen en past zelfs bij desserts en taart. Het eigenaardige aan de Westvleteren bieren is dat ze geen etiketten op de fles hebben en enkel te herkennen zijn aan hun kroonkurken, waarvan de kleur het type bier aanduidt. De Westvleteren 8 heeft een blauwe kurk. Ik kijk er al naar uit om mijn eerste Westvleteren te kunnen proeven…

Nog nen nieuwe blog

“De wereld staat echt niet te wachten op nog nen nieuwe blog”, antwoordde Ief – een oude schoolvriend – toen ik hem een aantal maanden geleden over mijn plannen vertelde om met een blog te beginnen. En Ief kan het weten, want hij is niet alleen ne crème van nen kerel, maar ook nog eens de gitaarvirtuoos van dé legendarische Tubs… Waarom dan nog nen blog beginnen? Mijn beweegredenen zijn eigenlijk tweevoudig.

Allereerst schrijf ik gewoon graag (zonder daarmee te pretenderen dat ik het ook goed kan). Reeds in het begin van het middelbaar vulde ik mijn dagboek met mijn diepste zielsroerselen en overpeinzingen. Later in de humaniora wisselde ik mijn dagboek in voor N-FO, het schoolkrantje, waarvan er onder mijn hoofdredacteurschap één editie volledig gecensureerd werd wegens te gezagsondermijnend… Eénmaal aan den Unief leende ik mijn pen eerst aan Het Rode Boekje en later zijn opvolger Avanti. Nu ik definitief de schoolbanken verlaat, heb ik bijgevolg nood aan een nieuw kanaal. En aangezien het schrijven van brieven nogal passé, deel ik vanaf nu mijn overpeinzingen via deze blog.

De tweede reden is dat ik geloof in de kracht van het geschreven woord (zonder terug te pretenderen dat mijn woorden krachtig zijn). Schrijven leidt bij zowel de auteur als de lezer tot afstand. Men kan het hier en nu overstijgen. Deze afstand heeft een reflexiever bewustzijn en een scherper analytisch vermogen tot gevolg: woorden worden meer gewikt en gewogen, argumenten worden meer doordacht, inconsistenties worden geschrapt… Via het schrift kan men met andere woorden beter een overtuiging met al zijn nuances formuleren en verlopen discussies doorgaans rationeler. Discussies op hun beurt zijn in feite sociale handelingen: men houdt bij discussies rekening met wat de andere denkt, voelt of doet. Sociale handelingen kunnen zowel doelrationeel ofte instrumenteel zijn (gericht op de realisatie van een doel) als waarderationeel ofte reflexief zijn (gericht op het nastreven van bepaalde waarden of overtuigingen). De instrumentaliteit en de reflexiviteit zouden idealitair in een samenleving in evenwicht moeten zijn. Helaas is dat in de huidige laatkapitalistische maatschappij niet steeds het geval. Laat nu net het geschreven woord zich omwille van zijn afstandsimplicaties zeer goed lenen tot discussies over beide rationaliteitsvormen. Met deze blog hoop ik dan ook o.a. hierover discussie uit te lokken. Vandaar het onderschrift van deze blog met een subtiele knipoog naar Jürgen Habermas…